De eerste den volgde een lange weg en kwam uiteindelijk in een vreemd Oosters land.

Het was er dor en warm. Er waren weinig bomen en hij was benieuwd wat ze met hem zouden doen.

Hij droomde ervan om iets moois voor God te mogen worden. Misschien werd er van hem wel een mooie wieg gemaakt. Hij was per slot van rekening niet zomaar een stuk hout! Oh nee, het fijnste van het fijnste was hij!

Een mooie opengewerkte wieg moest het worden, met heel veel snijwerk van bloemen en rozen. Een Koninklijke wieg voor een Koninklijk kindje, met kostbare zijde kleertjes aan!

Als het kindje dan huilde, zou hij, net als in het bos, zachtjes gaan wiegen en fluisteren, zodat het kindje zou gaan slapen. Oh ja, zó zou het moeten worden!

En al helemaal blij en in gedachten verdiept, merkte de prachtige den niet dat hij in een eenvoudige timmermanswerkplaats terecht was gekomen.

Vaardige handen maakten van zijn sterke stam een simpele voederbak en plaatste die in een stal, waar een os en een ezel dromerig voor zich uitstaarden!

Ontzet kwam de den tot ontdekking dat er van zijn vurige wens niets, maar dan ook helemaal niets was uitgekomen. Eigenlijk was hij tot het allerminste, een voederbak gemaakt!

Verdrietig zonk hij in een somber gepeins. Hij miste zijn twee andere dennen en vroeg zich af wat er van hen zou zijn geworden.

Plots echter werd hij uit zijn overpeinzingen wakker geschud door stemmen.

Nieuwsgierig keek de den om zich heen en zag een jonge vrouw en een man binnen komen, met een ezeltje. Ze zagen er doodmoe uit en de koude avondwind waaide door de half geopende staldeur naar binnen.

Hij zag dat de jonge vrouw hoog zwanger was. Haar man zorgde aandoenlijk voor haar en zocht hooi bijeen om het haar wat geriefelijk te maken. 

Maar toen gebeurde er iets vreemds. De jonge vrouw stond op, wikkelde haar kindje in doeken en legde het in de voederbak. Zomaar op het hooi, dit mooie kindje!

Ongerust over het feit hoe deze mensen in een stal de geboorte van hun baby moesten afwachten, verzonk de den opnieuw in gedachten.

Bij het huilen van een kindje, schrok hij op en zag dat de jonge vrouw een zoon ter wereld had gebracht. Vertederd keek hij toe en vroeg zich af waar het wiegje was om dit kindje in te leggen.

Oh, was hij maar dat mooie wiegje geworden, waar hij zó van had gedroomd, dan kon dit arme kindje er in liggen. Maar treurig bedacht hij: "Ik ben maar een voederbak"!